Ze huilde nog, toen ze oud en haar blonde haar tot zilvergrijs verkleurd was

Ze huilde nog, toen ze oud en haar blonde haar tot zilvergrijs verkleurd was. Ze stierf van verdriet en na haar dood bleef ze als een geestverschijning, als witte juffer, ronddwalen tussen de oude bomen en door de hoge lanen van Kernhem. Ze kon geen rust vinden in haar graf, zwierf in stormachtige nachten en duistere avonden rond, soms ook urenlang roerloos staande, al maar wachtend, met glansloze ogen in de verte turend en luisterend of ze de hoefslag van het paard nog niet hoorde. Zo bleef ze eindeloos dwalen en wachten met nooit verflauwende hoop, misschien wel gereed om bij terugkeer van haar geliefde hem met een “alles is vergeten en vergeven” tegemoet te treden en zo spoedig mogelijk aan zijn arm alsnog naar het bureau van de burgelijke stand te zweven ter inlossing van de trouwbelofte. Men vergeve ons deze ironie; we nemen de verhalen over Kernhems witte juffer niet minder serieus dan Marten, de huisslachter, dat in zijn tijd deed.
Een zwager van gezegde Maten woonde achter het herenhuis op de nog altijd bestaande boerderij, eertuijds het koetshuis. Marten ging daar op een vroege winterochtend naar toe om op verzoek van z’n zwager een varken te slachten. “Die morgen”, zo vertelde Marten ons persoonlijk, “was het echt winterweer, wel koud maar niet mistig of zo. Ik liep van de Lunterseweg naar het pad, dat achter het herenhuis om naar ‘t huis van m’n zwager gaat. Recht voor me uit zag ik toen iemand aankomen: een vrouwspersoon. Eerst dacht ik dat het mijn zuster Marie wel zou zijn, maar dan bedacht ik, dat zij zo vroeg toch geen boodschappen zou gaan doen, de winkels in ‘t dorp waren op dat uur beslist nog dicht. En ten overvloede: mijn zuster droeg altoos zwart of althans donker en zij, die daar aankwam, was helemaal in ‘t wit gekleed. Ze liep vlug, maar hoe dichterbij ze kwam, hoe vreemder ik ‘t begon te vinden. Toen ze vlakbij was, hoorde ik haar voetstap niet en toch lag het pad vol dorre bladeren en er bewoog ook geen blaadje. Haar gezicht kon ik niet zien, ze hield het opzij of zover mogelijk voorover, net of ze ervoor oppaste herkend te worden. Nee, bang was ik op dat moment niet. Waarvoor ook? Bij ‘t kruispunt van twee lanen, een meter of wat voor me, stond de vreemde juffer toen stil. Ik moet haar voorbij. Ik kuchte een paar keer en op ‘t zelfde ogenblik dat ik haar passeerde;