De Gemeente Ede

Bataafse republiek
In 1795 werd in Nederland met hulp van Frans troepen de Bataafse Republiek uitgeroepen. De oude bestuurscolleges werden ontbonden. De ambtsjonkers hadden afgedaan. De patriottische comité’s namen de plaats in van de vroegere regeerders en schreven verkiezingen uit voor een nieuw bestuur. In Ede werd in op 23 februari een “Municipale Raad” gekozen. Tot Richter werd de burger Gerrit Jan Roelofzen gekozen. Hij volgde daarmee de Schout op en was tevens officier van justitie. In de eerste jaren maakte de Richter deel uit van de gekozen raad, na 1798 niet meer. De nieuwe beginselen van de inrichting van de staat werden afgekondigd:
“Daar alle gezag zijn oorspring heeft uit de aangeboren rechten van de mensch en voortvloeit uit de boezem van des volks, leggen de provisionele representanten van het Volk van Gelderland, bij de aanvang hunner administratie de plechtige verklaring af van de rechten van den mensch en de burger: vrijheid, gelijkheid , veiligheid en tegenstand aan de onderdrukking (6 feb 1795).”
Onpopulaire belastingen op koffie, thee en chocolade werden ingetrokken, het jachtrecht op de Veluwe werd afgeschaft. Wapenschilden, titels inclusief “Mijnheer” en “Mevrouw” en adellijke rechten werden afgeschaft. Iedereen was voortaan Burger en Burgeres.
De ambten van Ede en Barneveld werden bij elkaar gevoed. Lang heeft dat echter niet geduurd. In 1799 na een aantal heftige meningsverschillen kreeg elke gemeente weer een eigen bestuur. Eensgezind was de bevolking overigens niet over het nieuwe bestuur. Er waren heftige conflicten tussen de Fransgezinde “patriotten” en de “oranjegezinden”.

Tweede gemeenteraad
In 1802 werd er een nieuwe regeling van kracht voor het gemeentebestuur. Er kwam een nieuwe gemeenteraad en de door het volk gekozen Richter werd vervangen door een Schout die door het departementaal bestuur van Gelderland benoemd werd.

Kanton Ede
In 1810 werd het koninkrijk Holland bij Frankrijk getrokken. Dit betekende het einde van de tweede gemeenteraad. Er werden nieuwe bestuurders benoemd van wat nu het Kanton Ede genoemd werd. De schout werd nu de ‘maire’. De municipale raad bestond uit een twintigtal leden.
De maire bracht zijn voorstellen in de Raad, maar bemoeide zich niet met de discussie . Na de indiening verwijderde hij zich en liet de Raad zelf beslissen.
Allerlei nieuwe wetten waren het gevolg van de inlijving bij Frankrijk. Het landgericht werd afgeschaft In het Kanton Ede kwam een vrederechter, een Kantonrechter. Er kwam een brigade gendarmerie om elk spoor van verzet de kop in te drukken. Met het vredegerecht kwam er ook een gevangenis. In 1812 werd het oude ambt Ede gesplitst in 4 aparte ‘Maries’ : Ede 1726 zielen, Bennekom 800, zielen, Lunteren 1302 zielen, Otterlo 620 zielen.
Napoleon verloor in 1814 zijn rijk en Nederland herwon zijn zelfstandigheid. De mairie werd nu weer gemeente genoemd en de maire Burgemeester. De bestuurders en de gemeenteraad blijven overigens aan tot 1817. De eerste maanden waren overigens zeer moeilijk, aangezien de Russische en pruisische troepen door Ede marcheerden en voedsel en onderdak eisten. Eerst kwamen de Kozakken, de ruwe en gevreesde Russische ruiters. Zij werden gelegerd op het grasveld bij de Boschpoort en kregen daar ruim te eten en te drinken. Daarna kwamen de Pruisen die een lange strijd tegen de fransen erop hadden zitten en kort van stof waren. Ze eisten goed voedsel en onderdak. De burgemeester de Vries van Ede werkte naar hun zin onvoldoende mee en werd daarom begin 1814 ontslagen.

Koninklijk besluit
Op 1 januari 1818 treedt een nieuw koninklijk besluit in werking dat de toestand op het platteland regelt. De vier gemeenten van het Kanton Ede worden weer tot één gemeente verenigd. De Veluwe wordt verdeeld in Over- Middel en Neder-Veluwe, elk met een Hoofdschout. De ingezetenen hebben geen invloed op de keuze van hun bestuurders. Deze hebben meer invloed op de gang van zaken in de gemeente dan hun voorgangers.
Aan het hoofd van de gemeente staat een Schout, benoemd door de koning. Verder zijn er Assessors (wethouders) die evenals de leden van de raad benoemd worden door het provinciaal bestuur te Arnhem, meestal op voordracht van de raad. De namen Hoofdschout en Schout, worden in 1825 vervangen door de namen Districtscommissaris en Burgemeester.

De gemeentewet van 1851
In 1851 kwam er een nieuwe gemeentewet waarbij de raadsleden door de kiezers gekozen werden. Deze kiezers waren de gegoede burgers met bezit. Burgers zonder bezit konden niet stemmen. Zo werden in 1852 bij een tussentijdse verkiezing van een raadslid 186 stemmen uitgebracht. De raad benoemde en ontsloeg zelfstandig de secretaris. De Districtscommissaris verdween als schakel tussen de raad en de provinciale staten. In Ede bestond de raad uit 13 leden. De positie van burgemeester veranderde niet. Deze was tevens raadslid. Uit de raad werden twee wethouders gekozen.

Armenwet 1854
Bij de armenwet van 1854 kreeg de gemeente een taak in het verzorgen van de armen. Er kwam een armbestuur en vier armenverzorgers. De inkomsten van het armbestuur bestond uit uitkering bij publieke vermakelijkheden, gelden bij publiek verkopingen afgestaan, een toelage uit de gemeentekas, en de opbrengst van een open schaalcollecte in elk kerspel.
Het armbestuur kon “onderstand” toekennen aan ouderen, arbeidsongeschikten en werklozen tot in een gemeentelijke verordening bepaalde maxima.

Bron: Ede, de stad en de ruimte